|
Kernfusie,
een zon op aarde
| 1
|
De
principes van kernfusie |
| 1.6 |
Hoe
groter, hoe beter |
Om een fusieplasma op de vereiste temperatuur te houden,
moeten warmteverliezen gecompenseerd worden. Bij een tokamak
gaat het om de warmte die van het centrum van het plasma naar
de rand van de torus stroomt, en dit warmteverlies is daarom
evenredig met de straal van de torus. Het geproduceerde fusievermogen
is echter evenredig met het volume van de torus.
Bij toenemende grootte groeit het geproduceerde vermogen (Puit)
dus sneller dan het vermogen dat nodig is om de verliezen
te compenseren (Pin), zoals weergegeven in figuur
5.
|
| Figuur
5. De groei van het geproduceerde fusievermogen Puit
en het benodigde verhittingsvermogen Pin, versus
de straal van de tokamak. Het is duidelijk dat bij JET
Puit nog kleiner is dan Pin, terwijl
dat bij ITER niet meer zo is. Het geproduceerde fusievermogen
neemt snel toe met de grootte van de tokamak |
Een alles bepalende factor voor de prestatie van een tokamak
is dus zijn grootte: als een tokamak ondanks de isolerende
magneetvelden toch nog te snel zijn warmte verliest, is dat
te verhelpen door de tokamak groter te maken.
Dit heeft een belangrijk gevolg: een fusiecentrale heeft
een minimale grootte. Een fusiereactor die kleiner is
dan de minimale maat, heeft altijd meer energie nodig om op
gang te blijven dan dat er aan energie uitkomt. De verhouding
tussen Puit en Pin wordt Q genoemd. De grootste fusiereactor
op dit moment, JET in Engeland, haalt Q=0,7. Het zogenaamde
'break-even' punt, waarbij er evenveel energie uitkomt als
er ingaat, correspondeert met Q=1. De volgende te bouwen fusiereactor,
ITER, zal Q=10 hebben, en een commerciële fusiereactor zal
met Q=30 tot Q=100 werken.
Het probleem van het bouwen van een fusiereactor is dat een
werkend schaalmodel niet mogelijk is: het kleinste werkende
model heeft al bijna de grootte van een toekomstige fusie-energiecentrale.
|