Kernfusie in 1 minuut
Kernfusie, een zon op aarde
Nieuws
Veel gestelde vragen
ITER
Fusie in de media
Fusion Road Show
Downloads
Galerij
Stel een vraag
Links

 

Nieuws uit de Fusiewereld

2010

  • 28 januari 2010
    Laserrecord voor National Ignition Facility
  • Onderzoekers van de Amerikaanse National Ignition Facility (NIF) hebben een record gevestigd met het concentreren van laserenergie. De 192 lasers van de installatie voerden in een paar miljardste seconde meer dan een megajoule aan energie aan een prototype voor lasergedreven fusie.

    Het doel van de installatie voor laserfusie NIF is een pellet van fusiebrandstof zo snel verhitten, dat de veroorzaakte hitte en schokgolf waterstoffusie op gang brengen. Lasergedreven fusie is een alternatief voor fusie in een magnetische opsluiting, het principe van tokamakreactoren als JET en ITER. De NIF-lasers zijn nog niet op vol vermogen getest; dat volgt later dit jaar.

    Meer informatie:
    Origineel persbericht van NIF

    2009

  • 16 September 2009
    Magnetisch eiland reflecteert microgolven
  • Onderzoekers van het FOM-Instituut voor Plasmafysica Rijnhuizen hebben een nieuw verschijnsel in fusiereactoren ontdekt. Samen met collega’s uit Denemarken en Duitsland zagen ze dat ronddraaiende verstoringen in het hete centrum van een fusiereactor microgolven kunnen reflecteren. Deze microgolven worden veel gebruikt om de roterende verstoringen onder controle te krijgen. De wetenschappers publiceerden hun resultaten 15 september 2009 in het vooraanstaande tijdschrift Physical Review Letters.

    Om in de toekomst kernfusie als schone, veilige en vrijwel onuitputtelijke energiebron in te kunnen zetten, moet de fusiebrandstof worden verhit tot honderden miljoenen graden Celsius. Het hete, geladen gas (plasma) zweeft binnenin de installatie in een sterk, ringvormig magneetveld zodat het niet in contact komt met de wand van de fusiereactor of tokamak. Allerlei oneffenheden in het plasma beïnvloeden hoe goed die opsluiting werkt.

    In een veelvoorkomend type verstoring snoert een deel van het magneetveld zich af en draait snel rond in de reactor. Zo’n magnetisch eiland kan groeien en, als het te groot wordt, de hele magnetische opsluiting teniet doen. Er wordt daarom veel onderzoek gedaan naar het gedrag en de controle van magnetische eilanden.

    Eiland-beheersing met microgolven
    Een veelgebruikte methode om magnetische eilanden in bedwang te houden is ze op precies het juiste punt te verhitten met microgolven (magnetronstraling). Tijdens experimenten met een nieuw, Nederlands apparaat op de Duitse fusiereactor TEXTOR ontdekten de Rijnhuizenonderzoekers een nog onbekend verschijnsel: onder bepaalde omstandigheden reflecteren de eilanden een deel van de microgolven.

    Met zeer beperkte financiële middelen is speciaal hiervoor een meetsysteem ontwikkeld en gebouwd. Hiermee is het effect in detail gemeten en het verband met roterende magnetische eilanden aangetoond. Ook over dit meetsysteem publiceren de onderzoekers binnenkort een artikel in Review of Scientific Instruments.

    De ontdekking is behalve voor fundamenteel begrip van de wisselwerking tussen plasma en microgolven ook belangrijk voor metingen bij fusie-experimenten over de hele wereld. Op veel van deze experimenten worden namelijk de zwakke microgolven die het plasma zélf uitzendt gemeten. Door reflecties van de miljarden malen sterkere verhittingsgolven kan deze gevoelige meetapparatuur verblind worden.

    Toekomstig onderzoek voor fusie-experiment ITER
    Uit de nieuwe metingen blijkt dat alleen het dikke middenstuk van de eilanden de golven weerkaatst. Het verschijnsel is nu waargenomen bij één type van magnetische eilanden, in één specifieke tokamak. Volgens de metingen hangt de microgolfreflectie sterk af van het verhittingsvermogen en van de plasmadichtheid. Of het effect ook kan optreden in het internationale fusie-experiment ITER is nog onduidelijk. De dichtheid wordt daar minstens drie keer zo hoog als in TEXTOR en ook het totale vermogen en de vermogensdichtheid van de microgolven zijn anders dan in TEXTOR. Om het verschijnsel beter in kaart te brengen, zijn verdere experimenten gepland in de Duitse tokamak Asdex Upgrade. Dat zal helpen uitwijzen of in het ITER-ontwerp rekening moet worden gehouden met de weerkaatsing van microgolfbundels.

    Meer informatie:

    • Het artikel in Physical Review Letters is hier te vinden.
    • Over het gebruikte systeem op TEXTOR werd eerder hier bericht.
    • Het onderzoek is gedaan door de Tokamak Physics Group op Rijnhuizen.
    • Meer informatie over Asdex Upgrade.
    • Meer informatie over ITER.
  • 20 augustus 2009
    Amerikaans fusie-onderzoek krijgt stimulans van 83 miljoen dollar
  • Het Amerikaanse Ministerie van Energie (DOE) heeft 83,1 miljoen dollar (58,9 miljoen euro) toegekend aan het bureau voor onderzoek naar fusie-energie (OFES).

    De verdeling van het geld is al in grote lijnen bekend. Zo is een flink deel beschikbaar voor uitbreidingen bij de drie grote Amerikaanse experimenten voor magnetische opsluiting. Alcator C-Mod van MIT krijgt vijf miljoen dollar, NSTX van Princeton University krijgt er zeven en DIII-D van General Atomics nog eens 11,7 miljoen dollar. Daarnaast mogen deze drie machines gezamenlijk 4,9 miljoen dollar besteden om de komende anderhalf jaar elk vijf weken langer experimenten te kunnen doen. Ook andere bestaande experimenten krijgen geld voor uitbreidingen.

    Daarnaast wordt een aantal nieuwe onderzoekslijnen opgestart. Zo is maar liefst 20 miljoen dollar beschikbaar voor een nieuwe afdeling bij de grote SLAC-deeltjesversneller (Stanford University) die onderzoek moet gaan doen naar materie met een extreem hoge energiedichtheid. Dit soort omstandigheden komen ook voor in het centrum van sterren én in installaties voor lasergedreven fusie. Met hun National Ignition Facility (NIF) zijn de Amerikanen op dit gebied één van de belangrijkste spelers ter wereld.

    Tenslotte wordt een tweetal expertisecentra voor plasmastudies opgezet om voor een looptijd van vijf jaar fundamenteel onderzoek te doen. Het gaat hierbij om (met name theoretisch) onderzoek dat grote relevantie heeft voor kernfusie, maar waarvan de reikwijdte en complexiteit te groot is voor een enkele onderzoeker of kleine universitaire groep. De fondsen voor OFES maken deel uit van het Amerikaanse stimuleringsplan voor de economie. In totaal krijgt het DOE 1,6 miljard dollar om de economie weer op de been te helpen.

    Meer informatie:

    • Een overzicht van de bestedingen bij het Office of Science vindt u hier.
    • Documenten betreffende de financiering van DOE uit de Recovery Act kunt u hier te vinden.
  • 3 augustus 2009
    ITER-NL2 krijgt 8 miljoen euro aan FES-geld
  • Minister Maria van der Hoeven (EZ) heeft in een brief aan de Tweede Kamer bekend gemaakt dat ze de follow-up van ITER-NL steunt met een subsidie van 8 miljoen uit de FES-gelden. We zijn zeer verheugd met deze beslissing en wachten de toekenningsbrief met informatie over de voorwaarden van de FES-steun af.

    Het Fonds Economische Structuurversterking (de 'aardgasbaten') werd in 1995 opgericht met als doel investeringen in de Nederlandse infrastructuur en kenniseconomie. Exact de doelstelling van ITER-NL2. Het fusieproject ITER gaat in 2018 in bedrijf, maar is nu al een aanjager voor innovatie en internationale samenwerking. ITER-NL bereidde in zijn huidige projectfase Nederlandse ondernemingen voor op participatie in de ITER-bouw door financiële steun bij het ontwikkelen van prototypes. Ook werden er in ITER-NL verband twee instrumenten ontwikkeld om de hete brandstof van de fusiereactor (plasma) te monitoren en controleren.

    Via het consortium ITER-NL zetten kennispartners TNO, NRG en de Stichting FOM zich in voor een maximale participatie van Nederlandse ondernemers en wetenschappers in het internationale ITER-project. ITER, de grootste fusiereactor ter wereld, is in aanbouw in het Zuid-Franse Cadarache. De installatie moet als eerste ter wereld laten zien dat het mogelijk is netto vermogen te winnen uit fusie, de energiebron van de zon.

    Meer informatie:

  • 18 juni 2009
    Eerste plasma in Magnum-PSI
  • Onderzoekers en ingenieurs van het FOM-Instituut voor Plasmafysica Rijnhuizen in Nieuwegein hebben op donderdag 18 juni voor het eerst een plasma opgewekt in het nieuwe plasma-wand experiment Magnum-PSI. Dit markeert de tweede belangrijke mijlpaal in de bouw van het unieke experiment. De plasmabron is nu afgebouwd, inclusief de koeling, gastoevoer, besturingselektronica, elektrische voedingen, dataverzameling en veiligheidssystemen. Het geheel functioneerde boven verwachting. “Dit is echt een prestatie van het team als geheel! Iedereen heeft hier keihard aan gewerkt, maar het resultaat is er dan ook naar”, aldus dr. Wim Koppers, projectleider van Magnum-PSI.

    Magnum-PSI is een uniek experiment dat speciaal is ontworpen om de processen die een rol spelen in de divertor van het fusie-experiment ITER te bestuderen. De divertor is de “asla” van het experiment, de enige plek in de machine waar de gloeienhete brandstof (het plasma) direct in contact komt met een wand. Met Magnum-PSI kunnen onderzoekers plasma’s maken met een groot aantal verschillende eigenschappen en dit richten op allerlei wandmaterialen. Het effect van het plasma op de wand kan zo ter plekke met een groot aantal meetinstrumenten worden bestudeerd. Dit wordt het enige experiment dat de dichtheid, temperatuur en het magneetveld zoals dat wordt verwacht in de ITER divertor na kan bootsen.

    Eerder al toonden onderzoekers van Rijnhuizen aan dat zij in staat zijn deze omstandigheden na te maken in het Pilot-PSI experiment, de kleinere voorloper van Magnum-PSI. Eenmaal voltooid zal Magnum-PSI een veel bredere plasmabundel maken. Hiermee kan het “sterk gekoppelde regime” bestudeerd worden, het gebied waarin materiaal dat van de wand erodeert in het plasma gevangen blijft en opnieuw chemisch en fysisch kan reageren met plasma én wand.

    De derde belangrijke mijlpaal, het installeren en testen van het supergeleidende magneetsysteem, staat gepland voor november 2009. Magnum-PSI zou eind 2009 klaar en getest moeten zijn. De eerste experimenten gaan begin 2010 van start.

    Afbeelding rechts: Het eerste plasma in het Magnum-PSI experiment, donderdag 18 juni. Het plasma, een heet gas van elektrisch geladen Argon-deeltjes, expandeert snel in het vacuum van Magnum. Als in november het magneetsysteem is afgebouwd zal het plasma een brede bundel vormen die op verschillende te testen wandmaterialen voor ITER gericht kan worden.

    Meer informatie:

  • 24 mei 2009
    Nederlands systeem temt verstoringen in fusiereactor
  • Onderzoekers van het FOM-Instituut voor Plasmafysica Rijnhuizen in Nieuwegein en de Technische Universiteit Eindhoven hebben een nieuw systeem ontwikkeld dat de efficiëntie van toekomstige fusiereactoren fors kan verbeteren. Het regelsysteem kan magnetische verstoringen in de reactor met grote nauwkeurigheid opsporen én direct bestrijden. Een prototype is getest op het Duitse experiment TEXTOR. Het systeem is van groot belang voor het internationale fusie-experiment ITER, dat momenteel in Zuid-Frankrijk gebouwd wordt.

    Om kernfusie, de energiebron van de zon, op aarde te temmen is het noodzakelijk de brandstof bij een temperatuur van miljoenen graden in een krachtig magneetveld op te sluiten. De hete brandstof probeert echter op alle mogelijke manieren aan deze magnetische kooi te ontsnappen. Zo kunnen er bijvoorbeeld magnetische eilanden ontstaan, ronddraaiende structuren die het aangelegde magneetveld verstoren en uiteindelijk tot veel energieverlies leiden.

    Eilanden zijn te bestrijden door ze op precies de juiste plaats te verhitten met krachtige microgolven, vergelijkbaar met het verhitten van water in een magnetron. Het plasma zendt zelf ook een zwak microgolfsignaal uit en door dat te detecteren kan de locatie van de eilanden bepaald worden. Om beschadiging van de gevoelige detector te voorkomen wordt deze meestal ver van de intense verhittingsbundel geplaatst. Daardoor ontstaat er een flinke onzekerheid in de locatie van het ronddraaiende eiland ter hoogte van de verhittingsbundel. Zo’n systeem schiet dan ook zelden in één keer raak.

    In het kader van het ITER-NL consortium (een samenwerking van FOM, TNO en NRG) hebben de Nederlandse onderzoekers nu een systeem ontwikkeld waarbij detectie en verhitting via dezelfde bundellijn verlopen. Geen sinecure, want één miljoenste van een miljoenste van het vermogen in de verhittingsbundel kan de detector al volledig verblinden. Daarom ontwikkelden zij een filter dat zelfs de kleinste reflectie van de verhittingsbundel tegenhoudt terwijl het meetsignaal wordt doorgelaten. Door de gevoelige meting is de verhittingsbundel precies op het te stabiliseren eiland te richten. Bart Hennen, promovendus aan FOM-Instituut Rijnhuizen: "Stel je een dartbord voor, dat ter hoogte van de maan allerlei kanten op beweegt. Wij kunnen met ons systeem keer op keer bulls-eye gooien, tegen de verblindende zon in."

    Het ontwerp is op het Duitse experiment TEXTOR met groot succes getest. Ook tijdens het verhitten gaat de detectie door, zodat in real-time het krimpen van de eilanden te zien is. Het systeem kan zo volautomatisch eilanden ontdekken, onderdrukken en daarna verder zoeken of er nieuwe eilanden ontstaan. Ook in het internationale fusie-experiment ITER kunnen magnetische eilanden optreden en tot veel energieverlies leiden. De onderzoekers denken dan ook dat hun systeem een goede kans maakt op ITER geïnstalleerd te worden.


    Schema van het regelsysteem zoals geïnstalleerd op het Duitse fusie-experiment TEXTOR. De gele bundel geeft het meetsignaal van enkele nanowatts aan, de rode bundel is de microgolfverhitting van 1 megawatt. Het “Notch filter” houdt verstrooide microgolfstraling van de verhitting tegen zodat die niet in de gevoelige radiometer terecht komt. Doordat zowel meet- als stuursignaal (vrijwel) dezelfde frequentie hebben en hetzelfde pad volgen is raak schieten verzekerd.

    Meer informatie:

  • 16 april 2009
    Niek Lopes Cardozo wordt voltijd hoogleraar TU/e
  • Prof.dr. Niek Lopes Cardozo, hoofd van de afdeling Fusiefysica van FOM-Rijnhuizen, neemt afscheid van het instituut en wordt voltijd hoogleraar aan de Technische Universiteit Eindhoven (TU/e).

    Met de nieuwe leerstoel 'Science and Technology of Nuclear Fusion' gaat Niek Lopes Cardozo een ambitieus en internationaal aansprekend onderzoeks- en onderwijsprogramma op het gebied van kernfusie opzetten. In samenwerking met buitenlandse opleidingscentra én met FOM-Rijnhuizen wil hij van de TU/e een belangrijk knooppunt maken in FUSENET, het nieuwe, door hem geïnitieerde Europese netwerk voor fusie-educatie.

    Ook op onderzoekgebied zal de nieuwe hoogleraar intensief samenwerken met andere groepen: binnen de TU/e, maar ook met groepen als FOM-Rijnhuizen, de partners in de 3TU-federatie en de grote fusie-onderzoeksinstallaties in Europa. Belangrijke onderwerpen van onderzoek: het gedrag van heliumkernen in een 'burning plasma' en methoden om dit te beïnvloeden, en de interactie van het plasma met de wand van de reactor.

    Niek Lopes Cardozo studeerde experimentele natuurkunde in Utrecht en promoveerde in 1985 op kernfusie-onderzoek bij FOM-Rijnhuizen. Na enkele jaren post-doctoraal onderzoek bij de fusiereactor JET (Culham, UK) werd hij groepsleider en in 2001 hoofd van de afdeling Fusiefysica van Rijnhuizen. Lopes Cardozo is sinds 1994 deeltijdhoogleraar aan de TU/e. Hij was promotor van circa twintig jonge onderzoekers. Naast het onderzoek en het onderwijs heeft hij zich veel ingezet voor voorlichting, met name richting scholieren, waarvoor hij de Fusion Road Show ontwikkelde. In 2003 ontving hij de Koninklijke/Shell-prijs voor duurzame ontwikkeling en energie.

    Meer informatie:

    • Download het volledige persbericht hier.

  • 23 februari 2009
    Pilot- en Magnum-PSI op de radio
  • De vacuümmijlpaal van Magnum-PSI heeft flink wat publiciteit getrokken. Op maandag 23 februari zond het programma Hoe?zo! van Teleac interviews uit met Tony Donne, Amy Shumack en Wim Koppers van FOM-Rijnhuizen. De reportage gaat over verleden, heden en toekomst van plasma-wand-onderzoek en het belang daarvan voor het internationale ITER-project.

    Promovenda Amy Shumack legt aan verslaggever Jos Wassink de werking en het doel van Pilot-PSI uit. Wim Koppers (projectleider Magnum-PSI) wordt geïnterviewd door verslaggever Jos Wassink

    Meer informatie:

  • 9 februari 2009
    Fusion Research Fellowship voor Nederlandse plasma-expert
  • Post-doctoraal onderzoeker dr. Jan-Willem Blokland van het FOM-Instituut voor Plasmafysica Rijnhuizen, het Nederlandse onderzoekscentrum voor fusie-energie, heeft een van de tien prestigieuze Fusion Research Fellowships van de Europese Fusion Development Agreement EFDA veroverd. Deze Europese subsidie is bedoeld voor excellente jonge post-docs op het gebied van plasma en fusie-onderzoek.

    Met zijn Fusion Research Fellowship onderzoekt theoretisch natuurkundige Jan-Willem Blokland de komende twee jaar de zogenoemde zaagtand-instabiliteit in fusiereactoren. Bij dat proces stijgt en valt de reactordruk herhaaldelijk in een zaagtandachtig patroon. De instabiliteit kan het fusieproduct helium uit het hart van de reactor afvoeren, maar een te sterke zaagtand kan weer ongewenste energie-ontladingen aan de rand van het plasma veroorzaken. Aan FOM-Rijnhuizen en bij de Europese fusiecentra in Cadarache (Frankrijk) en Culham (Verenigd Koninkrijk) gaat de natuurkundige het proces in detail in kaart brengen.

    Toppositie
    Ook in 2008 sleepten onderzoekers afkomstig van FOM-Rijnhuizen al Fusion Research Fellowships in de wacht. Dr. Ivo Classen en dr. Maarten de Bock kregen elk een van de tien Fellowships voor onderzoek aan waarneming en beïnvloeding van fuserend plasma. Met drie van de twintig in Europa toegekende Fellowships heeft het relatief kleine FOM-Rijnhuizen een grote inbreng in het internationale fusie-onderzoek. Om die toppositie vast te houden, wordt momenteel een nieuw onderzoeksprogramma opgesteld over meten en controleren van de processen in toekomstige fusiereactoren. Het programma bouwt voort op het werk uit de drie toegekende Fellowships.

  • 29 januari 2009
    Testplatform voor ITER robotica in gebruik genomen
  • Op 29 januari is in het Finse Tampere het Divertor Test Platform voor ITER (DTP2) officiëel geopend. De faciliteit, waarin het onderhoud van de ITER divertor door op afstand bediende robots kan worden getest, wordt gezien als een belangrijke stap voorwaarts voor ITER en het internationale fusieonderzoek.

    'Remote handling', het op afstand manipuleren en onderhouden van onderdelen, is een belangrijke technologie voor toekomstige fusie-energiecentrales en voor ITER. Met name de uitlaat onderin de machine, waar het fusieproduct helium uit de reactor moet worden verwijderd en de hete brandstof direct in contact komt met de wand, zal regelmatig moeten worden vervangen. Deze zogenaamde divertor bestaat uit negen ton zware cassettes, die alleen door robots kunnen worden verplaatst. "Het manipuleren van deze cassettes moet zeer nauwkeurig gebeuren, want er is heel weinig ruimte", aldus Dr. Seppo Karttunen van het VTT Technical Research Centre in Finland. Dit bedrijf is samen met de Tampere University of Technology (TUT) en de Europese ITER partner Fusion for Energy (F4E) verantwoordelijk voor de nieuwe faciliteit.

    Ideëen over de onderhoudsprocedures van de divertor, die nu nog alleen op papier bestaan, kunnen in de faciliteit getest worden. Naast de testfaciliteit zelf speelt ook 'Virtual Reality' hierbij een belangrijke rol. Procedures kunnen zo getest worden en mensen getrained, voordat ze ook in werkelijkheid worden uitgevoerd. "Deze faciliteit is ideaal voor training en kennisoverdracht. Hier komen verschillende technologiën die relevant zijn voor het ITER experiment bij elkaar.", aldus Didier Gambler, directeur van Fusion for Energy. "De kennis die we hiermee opdoen zal zeker ook de nodige spin-off voortbrengen."

    Ook het FOM-Instituut voor Plasmafysica Rijnhuizen, waar veel van het Nederlandse onderzoek naar kernfusie plaatsvind, houdt zich bezig met Remote Handling voor ITER. In het kader van ITER-NL, een consortium opgericht door FOM, TNO en NRG in samenwerking met het Nederlandse bedrijfsleven, wordt gewerkt aan twee zogenaamde "upper port plugs". Voor deze grote onderdelen ontwerpt Rijnhuizen zelf de robotica en loopt hiermee internationaal voorop.

    Meer informatie:

  • 27 januari 2009
    Mijlpaal in constructie plasmaexperiment Magnum-PSI
  • Medewerkers van het FOM-Instituut voor Plasmafysica Rijnhuizen hebben een belangrijke mijlpaal bereikt in de bouw van een vernieuwend plasma-wand experiment. In Magnum-PSI worden de omstandigheden nabij de wand van de toekomstige fusiereactor ITER nagebootst. De wetenschappers onderzoeken zo hoe het materiaal van het reactorvat en het hete geïoniseerde gas (plasma) op elkaar reageren. Onder leiding van Wim Koppers heeft het team nu het complexe vacuümsysteem voltooid. "We willen met Magnum-PSI een serieuze bijdrage leveren aan het ontwerp van ITER", vertelt Koppers: "Ons experiment gaat unieke gegevens leveren voor het ontwerp van de divertor, ITER's uitlaat voor het fusieproduct helium."

    In de vijftien meter lange opstelling Magnum-PSI heersen over een jaar extreme omstandigheden, vergelijkbaar met wat er gebeurt bij de wand van een fusiecentrale. Een honderdduizendste van de atmosferische druk, een temperatuur tussen 10.000 en 70.000 graden en een magneetveld van 3 Tesla – 60.000 keer zo sterk als het aardmagneetveld en krachtiger dan in een moderne MRI-scanner. Alles om wandmaterialen te testen die geschikt zijn voor gebruik in een fusiereactor en te bekijken hoe plasma en wand op elkaar reageren. Wetenschappers zijn bijzonder geïnteresseerd welk materiaal geschikt is voor de divertor van ITER. Een magneetveld houdt het miljoenen graden hete plasma overal in de reactor van de wand af, behalve bij de divertor, de uitlaat waarlangs het fusieproduct helium de reactor verlaat. De divertor moet jarenlang hoge temperaturen en deeltjesstromen verwerken zonder te beschadigen of het plasma te vervuilen met afgesleten materiaal. "Om die divertor goed te ontwerpen kun je niet buiten een instrument als Magnum-PSI", denkt Koppers.

    Magnum-PSI is een technisch hoogstandje: het vacuüm in het apparaat moet in stand blijven terwijl de onderzoekers er tientallen liters gas per minuut inpompen. De plasmabron produceert 90% gas en 10% plasma. In drie vacuümkamers scheiden zogeheten skimmers het gas van het plasma en drie sets van telkens drie gekoppelde pompen voeren per uur 54.000 m3 gas af. Het plasma warmt de opstelling ook op met een vermogen van 300 kW. Om die hitte kwijt te raken is Magnum-PSI uitgerust met een dubbele wand, waar koelwater doorheen stroomt. Promovendus Hans van Eck en senior research technicus Paul Smeets ontwierpen een groot deel van de ingewikkelde machine. "De apparatuur gedraagt zich precies zoals we berekend hadden", vertelt Van Eck. Ook Smeets is te spreken: "Het vacuüm is een erg belangrijk onderdeel van dit experiment zodat we erg blij en trots zijn met dit resultaat".

    Eenmaal in bedrijf kan Magnum-PSI uren achtereen de omstandigheden bij de wand van een fusiereactor nabootsen. Na plasmabombardement gaat het onderzochte materiaal naar een experimenteerkamer in hetzelfde vacuümvat als de rest van de opstelling. Zo zijn de testplaten van 60 x 12 cm te onderzoeken zonder invloed van de buitenlucht. FOM-Rijnhuizen werkt in het project nauw samen met de TU Eindhoven en met partners in de Trilateral Euregio Cluster TEC. "Magnum-PSI is ook niet alleen voor onszelf bedoeld", zegt Koppers: "wetenschappers uit de EU, zoals het team achter de grootste bestaande fusiereactor JET bij Oxford, willen hier plasma-wand onderzoek uit komen voeren. Ook Amerikaanse groepen bij MIT en Oak Ridge hebben interesse."

    "Er komen dit jaar nog een paar hoogtepunten", kondigt Koppers aan: "De supergeleidende magneet wordt geleverd, we plaatsen de wetenschappelijke instrumenten en de plasmabron in het vacuümvat – maar nu we de pompen, koeling en vacuümvat gereed hebben, zijn we een flink eind op weg".

    Meer informatie:

  • 23 januari 2009
    Kernfusieonderzoekers krijgen toegang tot netwerk supercomputers
  • Europese wetenschappers die deel uitmaken van het ITER project krijgen speciale toegang tot DEISA, het Europese netwerk van supercomputers. Dat heeft de Europese Commissie bepaald.

    DEISA (Distributed European Infrastructure for Supercomputer Applications) is een Europees verbond van hoogwaardige computerdiensten om de enorme hoeveelheden gegevens en de berekeningscapaciteit van Europese supercomputers gemeenschappelijk te kunnen benutten. DEISA maakt gebruik van het Europese GÉANT, het grootste computernetwerk ter wereld, en heeft voor de periode 2004-2011 een budget van 26 miljoen euro. In het kader van DEISA zijn momenteel 12 van de 100 meest krachtige supercomputers ter wereld in bedrijf die de meest vooraanstaande wetenschappers in Europa een eenvormige en eenvoudig te gebruiken supercomputeromgeving bieden.

    Computersimulaties worden in kernfusieonderzoek onder meer gebruikt voor het beter begrijpen van turbulentie in de hete (150 miljoen graden) brandstof. Deze turbulentie zorgt voor grote warmteverliezen, wat de efficiëntie van een mogelijke fusiecentrale omlaag haalt. Daarnaast is materiaalonderzoek van groot belang voor toekomstige fusiecentrales en ITER. Ook hierbij spelen computerberekeningen een grote rol.

    "Grootschalige simulaties van kernfusie en materiaaleigenschappen met behulp van geavanceerde supercomputers zijn van fundamenteel belang voor de werking en het ontwerp van bestaande en toekomstige experimenten met kernfusie," aldus Prof. Frank Jenko van het Max Planck Instituut voor plasmafysica.

    Nieuws uit de fusiewereld in 2008

    Colofon | Disclaimer | Contact